Voorjaarsproject 2001

Dubbelkorig werk
uit Renaissance en Barok

In de zestiende eeuw was de belangrijkste ontwikkeling in de polyfone muziek die van een horizontaal gedachte stijl naar een verticalere, meer op harmonie en klankpracht gerichtere muziek. Deze ontwikkeling verliep niet langs rechte lijnen en niet iedereen deed er even enthousiast aan mee, maar gaandeweg ontstond een nieuwe stijl, waarin een werk werd gebaseerd op een harmonisch plan, ondersteund door het basso continuo, een combinatie van bas- en accoordinstrumenten, die "continu" de muziek begeleidt en richting geeft. Deze stijl is kenmerkend voor de barokperiode, die we meestal laten lopen van 1600 tot 1750. De allergrootsten onder de componisten, zoals Bach, Purcell en Sweelinck slaagden erin, de oude en nieuwe muziek een gelijkwaardige plaats te geven of zelfs helemaal in elkaar te laten opgaan.

Een andere trend was de toename van het aantal stemmen in de vocale muziek: was tot 1500 drie- of vierstemmigheid de norm, later werd dit steeds vaker vijf- of nog meerstemmigheid. Gecombineerd met het bovengenoemde verticale en klankkleurgerichte denken van de componisten lag de stap voor de hand, dit grotere stemmenaantal te verdelen in twee of meer groepen die van de muziek een vraag- en antwoordspel maken.

In het programma zijn alle stukken achtstemmig en in meer of mindere mate dubbelkorig.

Palestrina begint zijn Confitebor tibi Domine en het hierop gebaseerde Agnus Dei wel met twee gescheiden koren, maar de erkende grootmeester van de polyfonie gaat al snel over tot het maken van diverse combinaties van stemgroepen, waardoor steeds verschillende klankkleuren ontstaan. In het Dona nobis pacem komen de gescheiden koren nog eens in hun strikte vorm terug.

Ongeveer net zo gaat Sweelinck te werk: de achtstemmige psalmen beginnen vaak met één of twee coupletten, gezongen door één koor, waarna zich in de volgende coupletten een inventief spel ontwikkelt. De bekende psalmmelodieën worden af en toe op de ouderwetse manier verwerkt als cantus firmus, in één stem met lange noten voorgedragen, dan weer helemaal in stukjes geknipt en, nauwelijks nog herkenbaar, over de stemmen verdeeld. Een uitzondering vormt Psalm 76, waarin het enige couplet volledig polyfoon wordt behandeld met de melodie als leidraad voor alle acht stemmen.

Naast als veelzijdig componist onderscheidde Orlando di Lasso zich door zijn talenkennis. Frans, Duits, Italiaans, Latijn: hij gebruikte het vlot naast elkaar, zoals blijkt uit veel van zijn brieven aan hooggeplaatste personen, waarin hij koketteert met zijn kunsten op dit gebied. Ook sommige van zijn composities kennen het gebruik van twee talen, al dan niet bewust verbasterd. Een beroemde band, de zgn. "Viersprachendruck" bevat vierstemmige motetten in de vier bovengenoemde talen, met daaraan toegevoegd in iedere taal een dubbelkorig werk. Het Duitse van deze vier kent een buitensporige bezetting, maar de andere drie laten zich prima uitvoeren. Het Franse stuk is letterlijk een tweespraak, bij de andere twee is er meer sprake van een handige verdeling van de tekst over de verschillende koren.

Naast cantates en missen voor "gewone" kerkdiensten, schreef J.S. Bach een aantal motetten voor uitvaartdiensten ter ere van overleden notabelen. Gek genoeg hebben de meeste van deze treurmuzieken helemaal geen droevige sfeer. Veel meer stralen ze een rustig optimisme uit over wat ons na de dood te wachten staat. Zo ook Der Geist hilft unser Schwachheit auf, één van de vier dubbelkorige motetten die Bach componeerde. Dit stuk wordt begeleidt op een kistorgel, gebouwd door Rigobert van Zijl en Hans Torringa.

 

 

 

 

 

 

links.gif (2193 bytes)